Grappig genoeg was ik door mijn eigen tempo en nieuwsgierigheid al een tijd bezig met vakken uit het tweede jaar, terwijl dit laatste propedeusevak nog openstond. Dubbel mooi dus om dit stuk nu definitief af te kunnen vinken. Centrale vraag van de studie: wat is het verband tussen zelfstigma en het zoeken van psychologische hulp bij mannelijke en vrouwelijke adolescenten en jongvolwassenen (12–25 jaar) met depressieve gevoelens? Een thema dat me niet alleen wetenschappelijk boeit, maar dat ik ook dagelijks terugzie in de praktijk. In dit artikel deel ik de belangrijkste inzichten.
Wat is zelfstigma eigenlijk?
Zelfstigma ontstaat wanneer iemand de negatieve maatschappelijke opvattingen over psychische problemen gaat geloven — en op zichzelf gaat betrekken. Dat kan leiden tot een negatief zelfbeeld, schaamte en minder hoop op herstel. Het is iets anders dan publiek stigma (de afkeurende houding van anderen) of persoonlijk stigma (iemands eigen opvattingen over psychische problemen in het algemeen): bij zelfstigma keert iemand die opvattingen tegen zichzelf.
En juist dat maakt het zo hardnekkig — het speelt zich af in het hoofd van iemand die al kwetsbaar is.
Waarom dit zo relevant is bij jongeren
De meeste psychische stoornissen ontstaan vroeg: bij ruim 62% begint een stoornis al vóór het 25e jaar, met een piekleeftijd rond 14,5 jaar. Adolescentie en jongvolwassenheid zijn bovendien periodes waarin identiteit, sociale status en het oordeel van leeftijdsgenoten enorm zwaar wegen — precies dan wegen negatieve opvattingen over psychische problemen extra zwaar.
Het gevolg: ondanks een hoge hulpbehoefte zoekt slechts 16 tot 36 procent van de studenten met klachten daadwerkelijk professionele hulp.
Wat zegt de literatuur over het verband zelf?
Dit is het duidelijkst beantwoorde deel van mijn studie: meerdere onderzoeken, met de sterkste onderbouwing in de grootste studie (bijna 9.500 Duitse scholieren), laten zien dat meer zelfstigma samengaat met minder hulp zoeken. Interessant genoeg gold dat het sterkst bij jongeren met de zwaarste klachten — zij hadden juist de laagste intentie om in de toekomst hulp te zoeken, ook al hadden ze in het verleden vaker hulp gezocht.
Ander onderzoek laat zien dat zelfstigma vooral remt bij jongeren die geneigd zijn pijnlijke gevoelens te vermijden, en dat waargenomen publiek stigma soms een nog sterkere voorspeller is dan het stigma dat iemand op zichzelf betrekt.
En de verschillen tussen jongens en meisjes?
Hier wordt het genuanceerder dan je op het eerste gezicht zou denken — en dat vond ik zelf ook de meest verrassende uitkomst. In de literatuur worden twee dingen nogal eens door elkaar gehaald:
- Het niveau van zelfstigma (hoeveel zelfstigma jongens versus meisjes gemiddeld rapporteren), en
- Het verband tussen zelfstigma en hulp zoeken (of dat verband bij jongens anders werkt dan bij meisjes).
Op het niveau van zelfstigma spreken studies elkaar tegen: de ene vindt meer zelfstigma bij jongens, de andere geen verschil. Maar de vraag die er in mijn onderzoek echt toe doet — verschilt het verband zelf tussen jongens en meisjes — is nauwelijks onderzocht. Slechts één studie toetste dit rechtstreeks (bij Australische jongeren), en vond geen verschil tussen jongens en meisjes in de sterkte van dat verband. Wél gold het verband alleen bij jongvolwassenen, niet bij vroege adolescenten.
Onderzoek dat specifiek naar mannen en masculiene normen keek, laat zien dat zelfstigma daar botst met het beeld van sterk en zelfstandig zijn — maar zonder directe vergelijking met meisjes zegt dat nog niets over een verschil in het verband zelf.
Dat jongens en meisjes structureel anders reageren op zelfstigma bij hulp zoeken, is (nog) niet stevig aangetoond. Nederlandse cijfers voor deze jongere leeftijdsgroep ontbreken bovendien volledig — en dat gat maakt gericht vervolgonderzoek juist zo nodig.
Wat dit betekent voor de praktijk
Deze inzichten sterken mij in wat ik al vermoedde vanuit mijn werk als psychologe in opleiding: drempelverlaging begint bij herkenning, ongeacht gender. Jongeren moeten het gevoel krijgen dat hulp zoeken geen teken van zwakte is, maar van zelfinzicht en moed. Dat vraagt om:
- Laagdrempelige, toegankelijke eerste gesprekken
- Taal die aansluit bij de belevingswereld van jongeren, zonder klinische afstand
- Aandacht voor de manier waarop schaamte en vermijding hulp zoeken in de weg zitten
- Een omgeving waarin twijfelen, vragen stellen en “het nog niet zeker weten” volledig oké is
Precies dat probeer ik terug te laten komen in mijn eigen manier van begeleiden: geen drempel, geen oordeel, maar een gesprek waarin jij aan het roer staat.
Trots op dit resultaat
Deze literatuurstudie is niet alleen weer een stap in mijn opleiding tot psychologe, maar sluit ook mijn propedeuse volledig af — inclusief het vak dat nog openstond terwijl ik al vrolijk vakken uit het tweede jaar aan het behalen was. Een mooi moment om even bij stil te staan.
Een onderwerp waar ik met veel plezier verder mee bezig blijf: wetenschap en praktijk versterken elkaar, en onderzoek zoals dit helpt me om nog gerichter te kijken naar wat jongeren écht nodig hebben om de eerste stap te zetten.
Herken je iets van dit thema, bij jezelf of in je omgeving? Weten dat er iemand is die luistert zonder oordeel, kan al een verschil maken. Neem gerust contact op voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek.